Komt u op deze pagina via een zoekmachine en ziet u geen knoppen aan de linkerzijde, klik dan op deze link www.vrouwenvelder.org
Stamboom Familie Vrouwenvelder

 Wolfgang Frauenfelder  (1565) 1.Felix Frauenfelder (1585) 2.1Hans Conrad Frauenfelder  (1639) 3a1Benedikt Frauenfelder (1672) 4aa1H.C. Vrouwenvelder (1707) 5aaa1C. Vrouwenvelder (1743) 6aaaa7M.C. Vrouwenvelder (1775) 7aaaag1Cornelis Hermanus Vrouwenvelder (1808) 8aaaaga8Hendrikus Johannes Vrouwenvelder (1850) 9aaaagah6   10AAAAGAHF5     Hubertus Josef Meijsing  (1912)Cornelia Maria Antonia Meijsing (1913)Cornelia Maria Antonia Meijsing (1914)A. Meijsing (1915)Nico Meijsing  (1917)J.N. Meijsing (1920)J. Meijsing (1921)

  Antonia Maria Wilhelmina (Antoinette) Vrouwenvelder

Deze foto zijn ter beschikking gesteld door: Jacques Jansen

Geboren te 's-Gravenhage op 9 november 1882 om 04:00 uur.  Geboorteakte nr. 4386
Overleden, oud 79 jaar, te 's-Hertogenbosch op 8 april 1962.
Begraven op 12 april 1962 op het R.K. Kerkhof te Orthen NB.
Dochter van gezin 9AAAAGAH6.
 
Zij was getrouwd te 's-Gravenhage op 6 september 1911 met  Huwelijksakte nr. 1642
 
Josephus David Meijsing
Geboren te Leiden op 20 september 1877 om ..:.. uur.
Overleden, oud 90 jaar, te 's-Hertogenbosch op 6 september 1968.
Hij was van beroep bouwkundigtekenaar, ingenieur en architect B.N.A.
Zoon van Johannes Cornelis Meijsing en Charlotte Schuurman Stokhoven.
 
Uit dit huwelijk :  Antoinette & David Meysing
 
1.   Hubertus Josef Meijsing
Geboren rond 1912.
Zie verder gezin 11AAAAGAHFE1.
 
2.    Cornelia Maria Antonia Meijsing
Geboren te 's-Gravenhage op 19 februari 1913.
Overleden, oud 1 maand, te 's-Gravenhage op 20 maart 1913 om ..:.. uur.
 
3.    Maria Cornelia Antonia Meijsing
Geboren te 's-Hertogenbosch op 22 juni 1914.
Overleden, oud 80 jaar, te Boxmeer op 10 augustus 1994.
Zie verder gezin 11AAAAGAHFE3
.
 
4.   A. Meijsing
Geboren te 's-Hertogenbosch op rond 1915.
 
5.   Jacobus (Nico) Meijsing
Geboren te 's-Hertogenbosch op in 1917.
Overleden, oud 52 jaar, te Toronto-Canada rond 10 maart 1969.
 
6.   Josephus Nicolaas. Meijsing
Geboren te 's-Hertogenbosch (Tilburg) op 7 juli 1920.
Overleden, oud 83 jaar, te Haarlem op 23 juni 2004.
oud gemeentesecretaris van de Gemeente Haarlem
Officier in de Orde van Oranje-Nassau.
Ridder in de Orde van Gregorius de Grote
Zie verder gezin 11AAAAGAHFE6.
 
7.   J. Meijsing
Geboren te 's-Hertogenbosch op rond 1921.
 
8.      Cornelis Josephus Meijsing
Geboren te Tilburg op 15 maart 1922.
Overleden,  oud 8 dagen , te Tilburg op 23 maart 1922 om 02:30 uur.
 
Antoinette Maria Wilhelmina (1882-1962)  was getrouwd met  een architect uit Eindhoven, Josaephus Meijsing. Sophia Cornelia Maria Vrouwenvelder ging daar als kind vaak logeren. Kleinkinderen van dit echtpaar zijn  de bekende auteurs Doeschka en Geerten Meijsing.  
 
Over de schrijfster:
Doeschka Meijsing werd in 1947 in Eindhoven geboren. Ze groeide op in
Haarlem, waar ze achttien jaar woonde en naar het gymnasium ging. Lezen was
haar grote passie, maar ook begon ze al vroeg met schrijven. In een
terugblik zal zij die leeshonger een noodzakelijke voorbereiding noemen op
het schrijverschap. Na het gymnasium studeerde ze Nederlands en algemene
literatuurwetenschap in Amsterdam, waar ze nog steeds woont.
Van 1971 tot 1976 gaf Meijsing les aan het Ignatius College in Amsterdam,
waarna ze drie jaar werkte als wetenschappelijk medewerker aan het Instituut
voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. In 1978 werd ze
literatuurredacteur van achtereenvolgens Vrij Nederland (tot 1987) en
Elsevier (1987-1998). Tussentijds (najaar 1987) trad ze op als gastschrijver
aan de Rijksuniversiteit Groningen.
In 1969 publiceerde Doeschka Meijsing een verhaal in het literaire
tijdschrift Podium. Vijf jaar later debuteerde ze met "De hanen en andere
verhalen". "Robinson", de roman over een eenzame puber, werd misschien wel
het meest bekend. In 1981 werd "Tijger, tijger!" (1980) bekroond met de
Multatuliprijs. Doeschka Meijsing publiceerde onder meer in Podium en De
Revisor. Naast romans publiceerde ze bundels verhalen, gedichten en essays.
Doeschka Meijsing is overigens niet alleen in Nederland een van de bekendste
schrijfsters: haar romans "De kat achterna", "Tijger, tijger!" en "Utopia"
zijn overal in Duitsland verkrijgbaar als pocket.
 
DBNL . Carel Peeters, Houdbare illusies

 
David Meysing, jaar 1917  Antoinette Meysing-Vrouwenvelder, jaar 1917
 
Kinderen Meysing 1917
 
  Antoinette Meysing-Vrouwenvelder met kinderen 1926  Jongens David Meysing & Antoinette Vrouwenvelder
 
 
 
 
Antoinette Vrouwenvelder          Antoinette Vrouwenvelder  
Antoinette Vrouwenvelder   Antoinette Vrouwenvelder
 
 
  
 
   
Volgens de wet op de privacy heeft u het recht te eisen uit deze gegevensbank te worden verwijderd. Als u opmerkingen heeft of als u wenst te worden verwijderd, neem dan contact op met de eigenaar van deze gegevensbank.
 

Het Parool, zaterdag 25 oktober 1997 

Nooit meer drinken 

PAULINE SINNEMA Grootse liefde, onherroepelijk verlies, hevige smarten: de thematiek van schrijfster Doeschka Meijsing. Gisteren kreeg ze voor haar aoeuvre de Annie Romeinprijs. En deze week werd ze 50. Op het nippertje. 

HET KWAM eigenlijk omdat mijn buik zo opgezwollen was. Ik kon niet meer in mijn broeken. Dus dacht ik drie maanden geleden: toch maar eens naar de huisarts. Die zei: ‘U bent een wandelende tijdbom’. Met een taxi moest ik naar het ziekenhuis, ik werd meteen opgenomen. Ik had niets bij me, had een hond thuis, dus dat kon helemaal niet, want ik moest dingen regelen, ook met mijn werk. Niks ervan’ zeiden ze. Je blijft hier. 

Schrok je’. Of wist je het eigen al? 

    "Ergens in je hoofd weet je het, daarom stel je het ook uit. Ik had al eens eerder een waarschuwing gehad: zware hepatitis. Toen heb ik een jaar niet gedronken. Maar daarna ben ik toch weer begonnen. Veel. Altijd rode wijn. Sinds mijn twintigste. Ik heb er geen spijt van; het was heerlijk. ‘Ik was in feite zo'n Afrikaans oedeemkindje geworden. Broodmager, spillebeentjes, dikke kop, een enorme buik. Dat is allemaal vocht wat je vasthoudt. Het gevaar daarvan is dat er zo'n grote druk op onderdelen van je lichaam komt, dat er adertjes springen, En dan ben je er geweest."

    "Zes weken ziekenhuis is lang. Je hebt nog wel een tijdje te leven als je zo doorgaat, zei de arts. Daar schrok ik zo van dat ik niet verder vroeg. Pas de volgen de dag vroeg ik: Hoe lang is een tijdje?’ Een jaar, zei hij. Ik dacht: dat kan niet, dat bestaat niet. Ik? Ik, Doeschka Meijsing? Een jaar nog maar? Mijn vriendin zei toen heel verstandig: We mikken gewoon op twintig jaar en dan zien we wel wat er bovenop komt."

"Sinds ik thuis hen. moer ik mijn gewicht in de gaten houden ik moet mijn leven bepaalde pillen slikken. Niet echt erg. En dus geen druppel drank meer. Want ook als ik gewóón zou gaan drinken, zoals sommige mensen dat kunnen - twee glazen per dag bij het eten en twee voor het slapen gaan, helemaal niet zo rampzalig — dan ben ik nog binnen een jaar dood, aangezien 87 procent van mijn lever is verlittekend." 

“Maar ik leef op het ogenblik heel prettig hoor. Ik kan heel goed zonder alcohol, als het niet anders kan. Ik ga nog steeds naar het café waar mijn vrienden zitten. Zij drinken, ik zit er gewoon bij. Heb ik geen enkele moeite mee.” 

Nou ja, je hebt ook we de dood in de ogen gezien. 

    "Ja, het is zo onomkeerbaar. Niet drinken is helemaal geen besluit meer, of wilskracht. Het is gewoon definitief. Deze week ben ik vijftig geworden, dus je kunt zeggen: ik heb met de hakken over de sloot mijn halve eeuw bereikt. En nu ben ik directeur van de eenmansstichting Bergopwaarts." 

        “Wat ik cadeau heb gekregen, is dat ik mijzelf veel mooier vind. Niet meer zo'n opgeblazen gezicht, niet meer zo'n ballonbuik alsof je zeven maanden zwanger bent. Dus dat doet wel goed. Ach, het is allemaal ijdelheid." 

    "Eigenlijk is het leven nu veel leuker. Ik ben een maand uit het ziekenhuis, en nu ik weer een beetje op krachten begin te komen, zie ik zo veel meer kleur, je bent je zo veel bewuster van de lichtval. Elke dag sta je fit op, heerlijk. Ik wist niet dat ik zo veel energie in me had." 

Drinken kost gewoon veel tijd; die heb je nu over. 

    "Ja. Nu ga ik redelijk vroeg op huis aan. Terwijl vroeger het leuke van drinken was, dat je zo lekker rellerig kon doorgaan. Daar hield ik wel van. Heb ik ook geen centje spijt van. Maar nu geniet ik meer. Van de seizoenen, de kleur van de bomen, geluiden. Dat is leuk hoor, je wereld wordt er veel ruimer door." 

Dus mensen laat die fles toch staan. 

    “Welnee, ik weet hoe ontzettend leuk het ook kan zijn. Als mensen tenminste behoorlijk kunnen drinken, waarmee ik bedoel dat ze een beetje hun limiet kennen en niet elke dag drinken. Dan is het heel feestelijk” Want het gaat natuurlijk om matigheid. ‘‘ja, matigheid is van erg groot belang. Met de uitbundigheid waarvan ik nu geniet van mijn niet drinken, heb ik ook uitbundig genoten van het wel drinken.” 

Nou ja, het duurt pas een maand. 

    "Jawel, maar toch heb ik het gevoel dat het zo blijven zal. En dat wil helemaal niet zeggen dat er geen verdriet is. Het verdriet is zelfs heviger, maar als er dan gehuild is, is het ook over. Je zit niet onder die stolp van melancholie waar je met rode wijn onder terecht komt. Jenever geeft agressie, rode wijn melancholie." 

Jij had toch ook we agressie? 

    “Jawel. Eén keer per twee maanden — heeft een vriend van mij gezegd — verandert Doeschka’s rode wijn in zwarte wijn.” In één van je mooiste boeken, ‘De Beproeving’, beschrijf je iemand als volgt: De afgelopen twee jaar hadden zijn stemmingen de hele scala van uitersten bereikt. Van woede uitbarstingen via euforie tot tomeloze depressie, waarin hij dagenlang alleen de waarom-vraag kon stellen. De woedeaanvallen waren het prettigst. Met een snijdend cynisme had hij vrienden en collega’s beledigd, zuigend, treiterend, waarbij een groot gevoel van wel behagen zich in zijn borstkas ontwikkelde. Er was nooit een klap gevallen, want zodra de tegenpartij, tot het uiterste getergd, daartoe dreigde over te gaan, spreidde Jona zijn armen en merkte op dat hij nooit sloeg. Nooit.’ Volgens mij slaat dat een beetje op jezelf. “Voor een deel. Jazeker. Behagen scheppen in de scherpheid van de tong. Niet zozeer woede als wel exact en keihard zeggen waar het op staat. Wel waarin mijn ogen, maar ook beledigend voor mensen.” 

Drank maakt meer kapot dan je lief is. 

    “Zo is het maar net. Maar echte vriendschappen heb ik er ook niet door verloren. Alleen een paar kleine klootzakken die ik niet meer groet.” 

Het heeft iets gemeens; mensen eerst me tot ze willen slaan en dan chic zeggen: nee hoor, ik sla nooit. 

    “Ik heb nog een truc, als ik doorkrijg dat ik iets te ver ben gegaan. Dan spring ik in een vechthouding en roep: pas op, ik ken karate! Eén keer geloofde iemand dat en gaf me een slag op mijn hand. Daar heb ik een rare vinger aan overgehouden.’’ 

Vertel eens wat van vroeger. 

    “Mijn moeder is Duitse; heeft tot haar dertiende in Frankfurt gewoond. In 1934 is het gezin naar Nederland gevlucht voor de nazi’s. Mijn vader was meester in de rechten en gemeentesecretaris van Haarlem. Een leuke jeugd, maar ook een beetje raar. Mutti sprak nogal met een Duits accent en had een paar ongewoonheden die de gemiddelde Nederlandse huisvrouw in die tijd niet kende." ‘Ze hield bijvoorbeeld erg van toneel en leerde mij al vanaf mijn vijfde gedichten voordragen. En dan zei ze: ‘Niet op die hoognederlandse, gereformeerde, socialistische toon’. Daar bedoelde ze die Henriëtte Holst-achtige vrouwen mee. En wat ze in haar oneindige kortzichtigheid en goedertierenheid ook heeft gedaan, is dat ze mijn broers van familie uit Duitsland toegestuurde Iederhosen liet dragen. Die waren onverslijtbaar.’’ 

Geen wonder dat je broer Geerten naar Italië is gevlucht. 

    “Ja. Maar daarom koekeloerde de omgeving ook een beetje van: deugt het daar wel? Ik trok meer weinig van aan; vond het voornamelijk wel een beetje artistiek allemaal. Behalve die Lederhosen dan. Dat probleem heb ik opgelost door te zeggen dat ze onverslijtbaar waren en dat iedereen in de Straat niet een wilgentak op mijn broers hun billen mocht slaan en dat ze er niets van voel den. Dat werd dus ook gedaan." 

Volgens Geerten is hij Nederland ontvlucht vanwege de verregaande bekrompenheid in dit land. Daar moet ik altijd een beetje om lachen.

    "Ik ook.” 

Maarbij jullie thuis was het ook niet mis. Vestdijk kon niet, Shaffy was cru, de Mattheus was … 

    "Protestantenmuziek, ja. En ik mocht Vrij Nederland niet lezen, en ze wilden alleen mijn studie betalen als ik ging studeren in Leiden, niet in het verderfelijke Amsterdam. Dus heb ik het op eigen kosten gedaan." 

Eigenlijk dus veel zelfverheerlijking thuis. 

    "Ja de Meijsing-familie was wel heel bijzonder. En dat heeft zich uiteindelijk gevoegd naar het bekrompen Haarlemse gegoede milieu. Geerten en ik zijn daar een beetje uitgesprongen." 

Jullie voelen je toch ook wel een beetje bijzonder? 

    "Voelde ik me bijzonder? Ja want ik wijde schrijver worden. Een goede schrijver. Wat dat betreft was en ben ik nog steeds ambitieus daar gaat ook geen centimeter van af. Maar het rare was, dat die artistieke component thuis hand in hand ging mei die heel bekrompen mentaliteit. Bijna streng Duits, zou je kunnen zeggen.” 

De manier waarop je over verloren liefdes schrijft is nogal absolutisch. Het woord verraad valt ook vaak. 

    "Dat is een karaktertrek van me. Je houdt van iemand of je houdt niet van iemand. Je verliest iemand of je verliest niet iemand. Daar zitten gigantische emoties achter en die probeer ik zo nauw keurig mogelijk te benaderen, Ik kom er een beetje achter dat het in al mijn boeken eigenlijk allemaal over verlies gaat. Nou ja, je verliest ook voortdurend."

Oké, maar ook als iemand een ander neemt? 

    "Ja! Zijn ze helemaal gek geworden!"

Dat heeft toch veel eigendunk. 

    "Helemaal niet. Als je het meemaakt terwijl je nog in het volle pond van je liefde zit voor die ander...” 

Je zo ook eens in de spiegel kunnen kijken. 

    "Je hoeft mij niet duidelijk te maken wat mijn slechte eigenschappen zijn: die weet ik heel goed. Ik kan verschrikkelijk mopperen, heel driftig en ongeduldig zijn. Ik ben egocentrisch, dwingend ook wel.’ Geen wonder dat ze weglopen. "Maar het is niet van: wat een gotspe dat zij mij verlaten heeft, maar wat een gotspe dat mij dit verdriet zo heftig overkomt. En waarom lijd ik er zo hevig onder? Dat is wat anders. Mijn eerste relatie heeft elf jaar geduurd tien jaar daarvan was het eigenlijk slecht en daar heb ik op een gegeven moment een punt achter gezet. Dat heeft ook geen sporen achtergelaten." 

Geen wonder dat ze weglopen. 

‘Maar het is niet van: wat een gotspe dat zij mij verlaten heeft, maar wat een gotspe dat mij dit verdriet zo heftig overkomt. En waarom lijd ik er zo hevig onder? Dat is wat anders. Mijn eerste relatie heeft elf jaar geduurd; tien jaar daarvan was het eigenlijk slecht en daar heb ik op een gegeven moment een punt achter gezet, Dat heeft ook geen sporen achtergelaten.” 

Dus als jij het doet is het geen verraad? 

    "Die relatie was al slecht, Maar als een relatie goed en vrolijk is, en naar mijn idee liefdevol, en plotse van de ene week op de andere is er een ander in het spel, dan begrijp ik dat gewoon niet. Ik heb er zes jaar over gedaan om er overheen te komen. Vreselijke depressies daar gaat het van over, zeiden ze tegen me. Is ook zo. Maar nog; in het ziekenhuis droomde ik nog wel eens van het verdriet dat ik er om gevoeld heb.” 

Hoe lang hen je alweer gelukkig? 

    "Sinds 1994. toen kwam Xandra". 

En dat met jouw thematiek. En dan ook nog zonder drank. Dat wordt niets. 

    "Jawel, Dat word alles. Drie, vier keer per week zit ik in mijn schriftje te schrijven. Omdat ik die inkt lekker vind. Omdat ik woorden formuleren lekker vind. Als dat geen schrijfster is, weet ik het niet meer." Vriendschappen heb ik niet verloren, alleen een paar kleine klootzakken die ik niet meer groet.

 

 

Donderdag 6 december 1984 Interview

,,Den Haag regeert op een onzinnige manier”


HAARLEM. — ,,De mooiste secretarissenkamer van Neder land” zegt Meijsing wat weemoedig. En inderdaad: zijn eeuwenoude werkvertrek mag er zijn. Eens de justitiekamer waarin recht werd gesproken, nu het stemmig onderkomen van Haarlem’s hoogste ambtenaar. In de vensterbank een beulszwaard waarmee ooit menig hoofd van de romp werd gescheiden, op het bureau de laatste ambtelijke stukken. Het kan verkeren. Na een sollicitatieronde van ,,Vaals tot Groningen” belandde Eindhovenaar Meijsing in Haarlem, de stad die hij na een paar jaar weer dacht te verlaten. Het pakte anders uit. Meijsing
,,Haarlem is een jas waar ik hele maal ben ingegroeid”.
Op 15 me 1945 begon hij als commies 2e klasse bij de gemeente Eindhoven. Leuk werk, dat wel, maar toen een promotie aan zijn neus voorbijging, besloot Meijsing zijn biezen te pakken. In 1951 verhuisde hij naar Haarlem waarbij na verloop van tijd waarnemend hoofd van de afdeling algemene zaken. Sociale zaken en volksgezondheid werd. "Een bezadigde, wat stille en deftige provinciestad”, zegt Meijsing op de vraag hoe hij destijds tegen Haarlem aan keek.
Van zijn voornemen om snel weer op te stappen kwam niets terecht: Ik had de wind mee, klom steeds een stapje hoger en deed m’n werk met plezier dus de behoefte aan iets anders verdween”. De door de crisis en oorlog gevormde Meijsing zat middenin de opbouw van Haarlem. Na alle mi'sere van de jaren dertig en veertig een geweldige ervaring: Die periode van op bouw was een heerlijke tijd. Daarbij vergeleken is het bezuinigen en afknijpen van 1984 niet bepaald de plezierigste manier van werken’.

De groei-en-bloei-bestuurders hadden het destijds niet bijster moeilijk, oordeelt Meijsing. ,$et besturen van een stad was in zoverre makkelijk dat iedereen vond dat er allerlei nieuwe zaken moesten komen. Buurtcentra, scholen, wegen, ziekenhuizen, het moest gewoon Felle discussies in de gemeenteraad had je zelden, het ging er in vergelijking met tegenwoordig rustig aan toe”, aldus de scheidend secretaris.
Geen woorden maar daden, zal menig stadbestuurder in die opbouwperiode hebben gedacht. Totdat de eerste insprekers zich aandtenden. Een enkeling liet parmantig weten mee te willen praten, Het roer moest om: geen daden zonder woorden! Meijsing lachend: Alles diende opeens besproken te worden. Voor ambtenaren die waren opgevoed met de gedachte dat zij het doorgaans bij het rechte eind hadden een enorme verandering”.
Een verandering ten goede, maar dan wel met enkele vervelende uitwassen, meent Meijsing. De volop insprekende burger trekt nu dermate vaak aan de bel dat de vraag gerechtvaardigd lijkt of een beetje minder ook niet kan. Meijsing: Je wordt wel eens wat kriegelig als je ziet waar de mensen allemaal bezwaar tegen maken en wat voor een stroom werk dat oplevert’.
Bovendien meent hij dat de burger de gevolgen van het bezwaarmaken goed onder ogen moet ten. Een voorbeeld: Hoe vaak komt het niet voor dat omwonenden zich verzetten tegen een bouwplan, dat ze het graslandje voor hun deur groen willen houden. Bezwaarschriften, tijdrovende procedures, kortom: de zaak wordt getraineerd. Andere mensen zijn daar de dupe van, die moeten langer wachten op hun nieuwe buis dat door alle vertragingen veel duurder wordt”.
De groei-en-bloei-periode ligt achter ons, in de jaren tachtig domineert het bezuinigen Den Haag houdt de hand op de knip. Meijsing zegt dat best te begrijpen, maar bekritiseert de manier waarop de rijksoverheid de gemeenten behandelt:
Wij zijn de laatste jaren steeds afhankelijker van Den Haag geworden, lopen veel meer aan het lijntje”. En wat volgens Meijsing nog erger is: een deel van de ambtenarij in de Residentie heeft geen benul van wat er in den lande allemaal gebeurt. Steeds weer stuit je op mensen die absoluut niet weten wat er aan de hand is. Een niet onbelangrijk deel van die ambtenarij heeft geen enkel zicht op hoe het feitelijk toegaat”, klaagt hij.
Meijsing spottend: Komt er op 10 november een circulaire binnen over een regeling die geacht wordt al op de 9e te zijn ingegaan. Of we daar eventjes op willen letten. Dat soort vervelende grappen haalt Den Haag voortdurend uit”,
Stadsbestuurders hebben het als gevolg van die aanpak vaak donders moeilijk”, vindt de oud-secretaris. "Een wethouder moet toch iets van een planning op kunnen zetten, maar door de onzinnige manier van regeren in Den Haag is dat verschrikkelijk moeilijk. Vaak blijkt er geen geld te zijn en dan plotseling komt het bericht dat zaken die in het laatste kwartaal worden uitgevoerd Web voor rekening van het rijk komen. Eerst niets, een paar maanden later opeens álles. 




En ook van dat euvel hebben gemeenten de laatste jaren steeds vaker last", zegt Meijsing die in dat verband de enorme reconstruccties in de Haarlemse binnenstad aanstipt, Toch wenst hij het gesprek absoluut niet het karakter van een klaagzang te geven. Natuurlijk, de Haagse fratsen zorgden voor heel wat (over)werk en ergernissen, maar daarnaast viel er in Haarlem nog genoeg leuks te doen. Meijsing maakte uiteenlopende burgemeesters als Cremers, De Gou en Reehorst mee en zag zes ver schillende gemeenteraden en colleges voorbijtrekken. Iedere fase was weer een nieuwe uitdaging’, weerspreekt hij de ver onderstelling dat het wiel in al die jaren we menigmaal zal zijn uitgevonden. Voor al de relatie bestuurderambtenaar boeide hem zeer, bijvoorbeeld tijdens de laatste begrotingsronde Wethouder Van Balen viel door ziekte plotseling uit waarna twee collega’s haar werk ‘net ambtelijke steun keurig overnamen. Meijsing: Het stemt mij tot grote tevredenheid dat je zo’n tegenvaller probleemloos op kunt vangen”.
Vanaf zijn benoeming in 1968 tot gemeentesecretaris was het een bekend beeld: Meijsing achter de collegetafel, rechts van de burgervader. Zwijgend. Buiten de raadszaal wilde hij dat zwijgen nog wel eens doorbreken, bijvoorbeeld wan neer een wethouder hem om een oordeel vroeg. Droogjes: ,,Ik zei wel eens: als U het zo en zo aanpakt, gaat het volgens mij niet- goed. Nou, dan wist ie dat”. Meijsing zwijgt en glimlacht. Even later: ,Ma, méér ga ik 15 toch echt niet vertellen, dat zijn zo de geheimen van het stadhuis”.
Iets waar Meijsing zich de laatste jaren nogal aan heeft gestoord is de wijze waar op een deel van de bestuurders, ambtenaren en politici met elkaar omgaat. Te weinig afstand. Neem die gewoonte om elkaar bij de voornaam te noemen. Zoiets suggereert een nauwe graad van verwant- of vriendschap hetgeen ik naar de buiten wacht toe niet correct acht. Bovendien constateer ik dat die voornamen soms zelfs worden gebruikt op momenten dat men elkaar wel op zou kunnen vreten’. Een ongevraagde - relativering: Let wel: U spreekt met iemand uit 1920”.

Vrijdag nog de receptie, daarna is het fini. Meijsing heeft voortaan de tijd aan zichzelf. Plannen te over. Reizen naar zijn favoriete Italië die ongelezen boeken eens grondig doornemen, wandelen en fietsen door Haarlem. Langs het stadhuis bijvoorbeeld van waaruit hij jarenlang een prachtig zicht op de Bavo had,, Iedere dag, nee, ieder uur een andere lichtval op die schitterende kerk. Je bent echt gezegend als je in zo'n mooie omgeving je werk mag doen”, klinkt het tevreden.

RIEN POLDERMAN
JAAP SLUIS

Gemeentesecretaris J. Meijsing zegt stadhuis Haarlem vaarwel.

 

HAARLEM. — Na driëendertig ambtenarenjaren in Haarlem zet gemeente secretaris Josephus Nicolaas Meijsing een punt achter zijn loopbaan. Vorige week woensdag werd hij reeds koninklijk onderscheiden en vrijdagmiddag om half vier volgt een openbare afscheidsrecptie. Dat wordt dan zijn laatste middag in het stadhuis waar hij in 1951 als refrendaris binnenstapte. Zeventien jaar later werd Eindhovenaar Meijsing gemeentesecretaris. Een voor de buitenstaander onopvallende, maar daardoor niet minder belangrijke post.

Meijsing versleet in die functie drie burgemeesters en zes verschillend samengestelde colleges en gemeenteraden. Maakte de naoorlogse opbouweuforie mee, maar belandde aan het einde van de jaren zeventig plotsklaps in de bezuinigingsgolf Leerde leven met het wijdse begrip inspraak én met de daarop volgende no-nonsense-aanpak.

Een andere ontwikkeling die Meijsing van zeer nabij volgde: de veranderende relatie tussen de rijksoverheid en de gemeenten. Ooit elkaars bondgenoten, maar zo langzamerhand verworden tot teleurgestelde tegenstanders. De scheidend gemeentesecretaris zet verleden en heden nog eenmaal beschouwend op een rijtje, waagt zich aan een enkele toekomstblik en bevestigt nog eens zijn grote liefde voor Haarlem.

---------------------------------------------------------------------------------

 

 

 

Doeschka Meijsing.            FOTODANIEL KONING- DEVOLKSKRANT

 

 
Volkskrant 8 november 1996
 
In de val van het paradijs
 
FLAPTEKST, inhoudsopgave en eerste hoofdstuk doen je in de handen wrijven. De flap zegt dat.
De weg naar Caviano ‘tot in de titel een hommage is aan Italo Calvino, die De weg naar San Giovanni schreef Een roman die gulpt van eerbetoon aan die fantast en speelse theoreticus, daar beginnen we vol verwachting aan. De strakke hoofdstukindeling — een deel met herinneringen van de personages afzonderlijk, een deel met een journaal van hun gezamenlijke week — doet inderdaad denken aan de sluwe Italiaan. In het eerste hoofdstuk is een schrijver aan het woord, die een rood buis in het paradijselijke bergdorp Caviano aan het Lago Maggiore heeft geërfd. Met zeven vrienden verbleef hij vijf jaar eer der al eens op diezelfde plek. Die vorige vakantie eindigde abrupt doordat één lid van het gezelschap, de toneelspeel ster Kate, op een solitaire bergwandeling spoorloos verdween.
De schrijver heeft de resterende vrienden na vijf jaar opgetrommeld. Het wordt geen aangename periode. Als het boek begint, is het stelletje zo juist weer uiteengegaan en niet van zins zich in de toekomst aan zo'n experiment te onderwerpen. Voor de schrijver was de reünie slechts een middel om de groep aandachtig te kunnen gadeslaan, zodat hij na afloop de individuele  leden met al hun mankementen op papier te kijk kan zetten. Als klein kind nam hij zich al voor, uitsluitend geluksmomenten in zijn geheugen op te slaan. De daarnet beëindigde vergadering van oude vrienden hoort daar niet toe, dus dienen zij resoluut uit zijn ge heugen gebannen te worden.
We zijn nu op bladzij 17, en begrijpen inmiddels dat dit een vertrouwd Doeschka-boek wordt over vriend schap, liefde, dood en kunst. Door ‘de schrijver’ (zonder naam, zodat het lidwoord nadruk krijgt) de opmaat te gunnen, wijst Meijsing ons erop dat we alles door zijn bril lezen. Hij is de organisator, niet alleen van de reünie, ook van het verslag daarvan.
En Meijsing is op haar beurt de schepper van ‘de schrijver Het procédé is een langzamerhand vergeeld patroon uit het cursusboek Zelf Modernistisch Schrijver Worden, Het kijkje in de keuken is, zacht gezegd, niet bijster oorspronkelijk. De schrijver is God, maar sinds God is doodverklaard, twijfelt ook de schrijver openlijk aan zijn almacht. Meijsing loopt tot het eind aan de leiband van haar voorbeelden in de zen, door ‘de schrijver’ achter te laten met een reuzenvraagteken op zijn voor hoofd. De kunstenaar mag veel willen, maar tegen de vergeefsheid van het streven en sneven van de mens in het algemeen, vermag hij bitter weinig uit te richten.
Wisten we al. Het bijzondere van De weg naar Caviano zou die invloed van Calvino moeten zijn. De lichtheid, die de meester in diens Zes memo voor het volgende millennium als een van de onontbeerlijke eigenschappen van (goede) literatuur beschouwt, is precies dat wat Meijsings vorige romans, De beproeving  (1990) en Vuur en zijde (1992), deerlijk misten, Bombast en huilerigheid verpestten daarin de ver halen over de liefde, en het verdriet dat daarvan bij Meijsing altijd het gevolg is
— en over de kunst, inzonderheid de gelimiteerde vermogens van de makers daarvan.
Welnu, de speelsheid in De weg naar Caviano is gereserveerd voor Joep.
Houdt u vast: Joep is een hond.
Die hond praat.
Tot twee keer toe mag het beest zijn muil openen en een guitige monoloog afsteken. Er is geen bezwaar tegen pratende dieren, maar dan moeten het wel ‘dieren met dierengedachten’ zijn, zoals Jan Hanlo ooit de dierenverhalen van A Koolhaas puntig karakteriseerde (zie Hanlo’s Brieven 1931-1962, pagina 508). Meijsing heeft niet verder ge dacht dan: ‘Ik laat die hond ook wat zeggen, kun ie lachen Dan krijg je dit:
‘Als mannelijke boxer herinner je je niet veel, omdat de herinnering er voor jou niet toe doet?  Ondenkbaar dat een hond dat denkt! Eén keertje is Joep geloofwaardig, als hij zegt dat hij zijn oren dolgraag in politiepaardenvijgen wentelt. Waarom zijn politiepaarden vijgen smakelijker dan die van een burgerpaard, denk je dan. Even klinkt er iets van onnavolgbare door. In die vijgen had Doeschka haar tanden moeten zetten. Dát zou op het begin van een hommage aan Calvino hebben geleken. Het verhaal van acht mensen in een
vakantiehuis komt niet van de grond.
Er had tussen hen een chemie kunnen ontstaan, vergelijkbaar met de vlottende stemmen in The Waves van Virginia Woolf; gezien de verdwijning van Kate had er wellicht ook een moderne gothic novel in gezeten, iets als Een sterke man van Renate Dorrestein; ten slotte had het onverbiddelijk opmaken van de balans (wat bindt vrienden als het er op aankomt?) kunnen uitmonden in een snijdende variatie op Bij nader inzien van J.J. Voskuil.
 
Meijsing doet haast niets met het gegeven.
In het eerste deel schetst ze de figuren, in het tweede zitten de lui vol schaamte en irritatie bij elkaar, alsof de schrijfster (niet ‘de schrijver) de ingrediënten voor een maaltijd heeft ingekocht en uitgestald, om dan totaal te zijn vergeten hoe het recept ook weer ging. De farce spruit deels voort uit de omstandigheid dat geen van de personages tot een sprankelende opmerking in staat is, Hun niveau komt niet boven boxershoogte uit.
Het is daarom een onrecht dat Joep is buitengesloten van ‘het filosofisch gesprek van de koude grond, dat op de derde dag’ plaatsgrijpt. Iedereen is het speeltuig van goden met een boosaardige inborst’: die Hermansiaanse stelling wordt geponeerd, maar Meijsing weet haar niet dwingend te maken, Ook wat innerlijke logica en stijl betreft laat ze de teugels te los vieren. Niemand wist ‘ooit of de schrijver aan het werk was, of sliep’, naar al op de volgende bladzijde staat ‘de schrijver, die nooit leek te slapen’ Op bladzij de 11 schrijft de schrijver: En nu waren wij er, allemaal na het bijna bereiken van een halve eeuw.’ Waarom niet gewoon gezegd dat ze 50 zijn, als ze al voorbij ‘bijna’ 50 zijn? Wie schetst onze verbazing, als het personage Mourits het verderop heeft over ‘deze veertigers en vijftigers en Philippus zelfs de zestig al is gepasseerd!
Ook schrijft Meijsing ‘boswering’, ‘zomaar pardoes de benen wijdbeens’ (alsof er ook alternatieve ledematen voor het predikaat ‘wijdbeens’ in aanmerking komen), ‘het Verre geklop van hout ergens boven op de berg’ (hoor wie klopt daar? Het hout), en: ‘Hij had nooit een ernstige gedachte besteed aan de weg die zijn ziel na de dood zou gaan, sterker nog, hij had nooit het bestaan van zoiets bevestigd of ontkend.’
Het laatste partikel is niet ‘sterker nog’; de opmerking dat hij er nooit aan had gedacht, kan niet verder versterkt. Overigens behoeft Mourits uitdrukking ‘dan zat ik nu in Santpoort’ een voet noot voor lezers van buiten Noord- Holland: aldaar bevindt zich de inrichting Vogelenzang.
Betreurenswaardiger is dat het deeg van deel 1 niet gaat rijzen en geuren. De conversatie van het groepje stijgt niet uit boven de vaststelling dat Kate actrice van professie was, maar dat wij i de dagelijkse omgang met elkaar evenzeer aan rolpatronen zitten vastgebakken. Ook de moraal, te parafraseren als: ‘Betreed het paradijs niet opnieuw, als je er de eerste keer niet zonder kleerscheuren uitkwam’, is nog te slap voor de scheurkalender.
 
Arjan Peters
 
Doeschka Meijsing: De weg naar Caviario.
ISBN 90 214 7511